3. Beoordeling van de middelen

3.1 Partijen zijn op 11 mei 1989 met elkaar in algehele gemeenschap van goederen gehuwd. Het huwelijk is ontbonden door inschrijving van de echtscheidings-beschikking op 11 mei 2009. Bij de echtscheidingsbeschikking is de door de man aan de vrouw te betalen alimentatie, totdat nader wordt beslist, met ingang van de datum van inschrijving van de beschikking vastgesteld op een bedrag van € 3.841,– per maand, onder bepaling dat beide partijen nog nadere inkomensgegevens dienen over te leggen. Bij eindbeschikking heeft de rechtbank de door de man te betalen alimentatie met ingang van 10 maart 2011 vastgesteld op € 2.283,– per maand, en heeft zij de wijze van verdeling van de goederengemeenschap bepaald.

3.2 In hoger beroep heeft het hof, voor zover in cassatie van belang, de door de man te betalen alimentatie met ingang van 10 maart 2011 tot 1 juli 2012 vastgesteld op een bedrag van € 3.439,– per maand en met ingang van 1 juli 2012 op een bedrag van € 4.731,– per maand, en voorts de man veroordeeld om aan de vrouw een bedrag van € 35.524,– te voldoen ter zake van overbedeling met betrekking tot de recreatiewoning.

3.3 Middel 1 klaagt terecht dat de beslissing van het hof dat de man € 35.524,– ter zake van overbedeling met betrekking tot de recreatiewoning moet voldoen, onbegrijpelijk is. De rechtbank heeft immers, in hoger beroep onbestreden, vastgesteld dat de recreatiewoning, die aan de man is toebedeeld, gelet op de daaraan verbonden hypothecaire lening een onderwaarde heeft van € 10.975,–.
Het door het hof genoemde bedrag van € 35.524,– betreft kennelijk het door de rechtbank ten laste van de man vastgestelde saldo van alle in de verdeling te betrekken posten; daarvan maakte onder meer een door de vrouw te betalen bedrag van € 5.488,– ter zake van de onderwaarde van de recreatiewoning deel uit. Nu het hof op twee andere punten grieven van de man tegen onderdelen van genoemd saldo van € 35.524,– gegrond heeft bevonden (betreffende de waardering van de goodwill in de specialistenmaatschap van de man, waaromtrent het hof een deskundigenbericht heeft gelast, en betreffende het alsnog in aanmerking nemen van een fiscale latentie van 30% bij de waardering van de in rov. 30 genoemde polissen), maar nog geen nieuw saldo heeft bepaald doch de beslissing ter zake van de verdeling van de huwelijksgemeenschap heeft aangehouden, zal de Hoge Raad de zaak terugwijzen naar het hof.

3.4 De klachten van de overige middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 lid 1 RO, geen nadere motivering nu die klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
Met betrekking tot middel 3 verdient nog opmerking dat de veroordeling van de man om een bedrag van € 16.440,– aan de vrouw te voldoen ter zake van betalingen van en aan het HagaZiekenhuis (rov. 7-11 en dictum), posten in het kader van de verdeling van de huwelijksgemeenschap betreft waar de rechtbank geen rekening mee had gehouden. Deze veroordeling staat dus los van het hiervoor bedoelde saldo van € 35.524,– waaromtrent het hof nog verder dient te beslissen.

4. Beslissing

De Hoge Raad:
vernietigt de beschikking van het gerechtshof te 's-Gravenhage van 18 januari 2012;
wijst het geding terug naar dat hof ter verdere behandeling en beslissing.

Bron: Rechtspraak.nl – LJN: BZ4183