Deze uitspraak is een vervolg op een tussenvonnis van 20 maart 2013 (LJN BZ 8153). Moskee vordert van ontslagen imam immateriële schadevergoeding.

Achtergronden

De moskee ofwel de stichting As-Soennah/Centrum Sjeikh Al Islam Ibn Taymiaheeft nader toegelicht dat in 2008 tussen het toenmalig bestuur van de stichting en het gemeentebestuur van Den Haag uitdrukkelijk afspraken zijn gemaakt over het verbod op het sluiten van islamitische huwelijken zonder voorafgaand burgerlijk huwelijk als bedoeld in artikel 449 van het Wetboek van Strafrecht (Sr.) waarvan eiser uitdrukkelijk op de hoogte was.

In dagblad Trouw van 19 augustus 2012 en in het proces-verbaal van 31 oktober 2012 heeft de imam volgens de stichting erkend dat hij desondanks nadien illegale islamitische huwelijken heeft gesloten. De moskee heeft enkele door eiser opgemaakte (in het Nederlands vertaalde) akten overgelegd. De stichting heeft tevens verklaringen overgelegd van bestuursleden [x] en [y], die verklaren dat het bestuur hiervan tot 2012 niet op de hoogte is geweest.

De hoogte van schadevergoeding volgt uit de beoordeling:

'2.11. In het tussenvonnis van 20 maart 2013 is reeds overwogen dat [eiser] heeft gehandeld in strijd met de geheimhoudingsplicht die is opgenomen in zijn arbeidsovereenkomst door zich jegens derden uit te laten over zijn conflict met het bestuur. Bovendien is overwogen dat [eiser], door daarbij de bestuursleden met dictators te vergelijken, hun eer en goede naam en die van de stichting heeft aangetast. Geconcludeerd wordt dat [eiser] aldus, en door het sluiten van illegale islamitische huwelijken, gehandeld heeft in strijd met zijn verplichting om zich als een goed werknemer te gedragen als bedoeld in artikel 7:611 BW.

De kantonrechter is van oordeel dat [eiser] daarmee welbewust het risico heeft genomen dat schade wordt toegebracht aan de eer en goede naam van de bestuursleden en de stichting en het voortbestaan van de stichting op het spel heeft gezet.

De stichting heeft onweersproken gesteld dat haar eer en goede naam daadwerkelijk zijn geschaad. Om die reden is [eiser] gelet op het bepaalde in artikel 7:661, eerste lid, BW aansprakelijk voor de door hem aan de stichting toegebrachte schade.

2.12. Aangezien voldoende vast staat dat de stichting door toedoen van [eiser] in haar eer en goede naam is geschaad, komt naar het oordeel van de kantonrechter de stichting een immateriële schadevergoeding toe. Voor het bepalen van de hoogte van de schadevergoeding acht de kantonrechter onder meer van belang dat [eiser] zowel als bestuurslid, als vrijwilliger en als werknemer in loondienst jarenlang verbonden is geweest met de stichting en dat de verhouding tussen partijen inmiddels grondig verstoord is geraakt, hetgeen heeft geleid tot het ontslag van [eiser] als bestuurder en werknemer van de stichting.

De gewraakte uitlatingen van [eiser] moeten tegen deze achtergrond worden beschouwd, hetgeen naar het oordeel van de kantonrechter een matigende invloed heeft op de hoogte van de schadevergoeding.

Daarnaast acht de kantonrechter relevant dat [eiser] in weerwil van de reeds in 2008 gemaakte afspraken jaren lang is doorgegaan met het opmaken van islamitische huwelijksakten terwijl hij geacht moet worden geweten te hebben dat dit algemeen beschouwd werd als een belangrijke kwestie die zelfs in de landelijke politiek aan de orde is geweest.

Deze laatste omstandigheid maakt de immateriële schade van de stichting groter. De kantonrechter zal de schadevergoeding, gelet op alle relevante feiten en omstandigheden van deze zaak, naar redelijkheid en billijkheid bepalen op een bedrag van € 1.000,-. [eiser] zal tot betaling van dit bedrag worden veroordeeld.'

Vonnis van kantonrechter mr. F.J. Verbeek en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 7 augustus 2013.

Bron: Rechtspraak.nl – ECLI:NL:RBDHA:2013:10443
Bron: http://juridischdagblad.nl/content/view/12713/1/