Bij de beantwoording van de vraag of een door de onderhoudsplichtige zelf teweeggebrachte, maar niet voor herstel vatbare inkomensvermindering in aanmerking moet worden genomen, zal in het bijzonder moeten worden bezien of de onderhoudsplichtige zich uit hoofde van zijn verhouding tot de onderhoudsgerechtigde met het oog op diens belangen had behoren te onthouden van de gedragingen die tot de inkomensvermindering hebben geleid. Bij een bevestigende beantwoording van deze vraag kan die inkomensvermindering ten dele of zelfs in het geheel buiten beschouwing worden gelaten (vgl. onder meer HR 23 januari 1998, LJN ZC2556, NJ 1998/707, en HR 5 december 2008, LJN BF8928, NJ 2009/2).

3.4.4 Toepassing van de hiervoor in 3.4.3 genoemde regels kan ertoe leiden dat sprake is van een oplopende alimentatieschuld doordat de vastgestelde alimentatie niet inbaar of verhaalbaar is. Dat staat echter niet zonder meer aan toepassing van die regels in de weg. Indien het een relatief aanzienlijke, onherstelbare inkomensvermindering betreft, is echter wel terughoudendheid geboden en dient de rechter voldoende inzicht in zijn gedachtegang te geven.

Verder dient in dat geval in het oog te worden gehouden dat het buiten beschouwing laten van de inkomensvermindering in beginsel niet ertoe mag leiden dat de onderhoudsplichtige bij voldoening aan zijn onderhoudsplicht feitelijk niet meer over voldoende middelen beschikt om in de noodzakelijke kosten van zijn eigen bestaan te voorzien (zie opnieuw de hiervoor in 3.4.3 genoemde uitspraken).

3.4.5 Het oordeel van het hof is in overeenstemming met het hiervoor in 3.4.3 en 3.4.4 overwogene. Het hof heeft in de bijzondere omstandigheden van dit geval tot het oordeel kunnen komen dat de man is gehouden zodanige maatregelen te nemen dat hij alsnog aan zijn verplichtingen jegens de vrouw kan voldoen en dat hij in dat verband onder meer dient te trachten om tot een akkoord te komen met zijn schuldeisers.

Op grond van zijn vaststelling dat, gelet op de aard en omvang van de schulden van de man, het bereiken van een akkoord met de schuldeisers een reële mogelijkheid is, heeft het hof mogen oordelen dat (vooralsnog) geen reden bestaat voor wijziging van de beschikking van 27 juli 2010. Deze oordelen zijn voldoende gemotiveerd en geven geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting.

3.4.6 Bij het vorenstaande verdient nog opmerking dat in het oordeel van het hof ligt besloten dat niet het gevaar dreigt dat de man niet meer over voldoende middelen beschikt om in de noodzakelijke kosten van zijn bestaan te voorzien.

Door het faillissement zijn beslag en verhaal op zijn inkomen en vermogen niet mogelijk, terwijl op het op de voet van art. 21, aanhef en onder tweede, Fw vrij te laten bedrag – dat ingevolge die bepaling buiten het faillissement blijft – de beslagvrije voet van art. 475d Rv van toepassing is. Alimentatie die verschuldigd wordt tijdens het faillissement (en die, zoals in dit geval, niet wordt of kan worden voldaan uit het vrij te laten bedrag), levert een concurrente vordering op die voor verificatie in aanmerking komt en eventueel in een akkoord kan worden betrokken.

3.4.7 Op het vorenstaande stuiten de klachten van de onderdelen I.1 onder (i), I.2 en I.4 af, terwijl daaruit tevens volgt dat de onderdelen I.1 onder (iii) en I.3 uitgaan van een onjuiste lezing van de beschikking van het hof en dus niet tot cassatie kunnen leiden bij gebrek aan feitelijke grondslag.

3.5.1 Onderdeel I.1 bestrijdt onder (ii) het oordeel van het hof dat het bereiken van een akkoord met de schuldeisers een reële mogelijkheid is. Het wijst daartoe op de bij de mondelinge behandeling door het hof besproken omstandigheid dat op dat tijdstip € 15.000,– op de boedelrekening van het faillissement stond, terwijl de schuldenlast in totaal € 45.615,19 bedraagt.

Volgens het onderdeel is het uiterst onwaarschijnlijk dat de schuldeisers zullen instemmen met betaling van slechts 30% van hun vorderingen en dat, indien de schuldeisers dat wel zouden doen, de rechtbank dat akkoord zal homologeren, nu de inkomsten van de man tijdens het faillissement blijven doorlopen en zich dus het geval zou voordoen van art. 153 lid 2, aanhef en onder tweede, Fw, dat de baten van de boedel de som van het akkoord aanmerkelijk te boven zullen gaan.

3.5.2 Ook deze klacht faalt. Duidelijk is immers dat het hof het oog heeft op een akkoord waarbij wordt overeengekomen dat de schulden – eventueel na herfinanciering – (mede) door termijnen uit het inkomen worden afbetaald, hetgeen gelet op de gebleken aard en omvang van de schulden en de hoogte van het inkomen van de man – en ook het door het onderdeel genoemde tegoed op de boedelrekening – een alleszins begrijpelijk oordeel is.

Bron: Rechtspraak.nl – LJN: BY8279