3.3 Het middel klaagt dat het hof ten onrechte is voorbijgegaan aan de stelling van de man dat de vrouw geen behoefte heeft aan alimentatie, althans dat het hof niet heeft gemotiveerd dat de vrouw behoefte heeft aan de door het hof vastgestelde alimentatie.

3.4 De klacht is gegrond. Mocht het hof in rov. 8 (zie hiervoor in 3.2) als zijn oordeel tot uitdrukking hebben gebracht dat de aldaar door hem geciteerde zinsnede in het beding meebrengt dat de man, zodra hij weer voldoende draagkracht heeft, alimentatie zal betalen ongeacht de behoefte daaraan van de vrouw, dan is zulks onbegrijpelijk in het licht van de daarop volgende zinsnede in het beding (zie hiervoor in 3.1 onder (i)), waarin uitdrukkelijk is bepaald dat mede van de behoefte van de vrouw afhankelijk is in hoeverre daadwerkelijk een bedrag aan alimentatie zal kunnen worden betaald. Mocht het hof zulks niet hebben miskend, dan is zonder nadere motivering, die ontbreekt, onbegrijpelijk op grond waarvan het hof is voorbijgegaan aan het verweer van de man dat de vrouw, die een eigen inkomen verwerft, geen behoefte heeft aan alimentatie.

Bron: Rechtspraak.nl – LJN: BT8437