2.7.4.
Aan de hand van dit gegeven en de leeftijd van de minderjarigen acht de rechtbank de door de vrouw gestelde behoefte van de kinderen van EUR 592,50 per maand per kind niet bovenmatig.
Het kindgebonden budget dat de vrouw thans voor [minderjarige 2] kan ontvangen becijfert de rechtbank op EUR 84,= per maand en die bijdrage dient in mindering te worden gebracht op de behoefte van [minderjarige 2], zodat de rechtbank de behoefte van [minderjarige 2] vaststelt op EUR 508,50 per maand.
De man maakt aanspraak op toepassing van een zorgkorting op de door hem eventueel verschuldigde kinderbijdrage. De rechtbank volgt ook in dit opzicht de richtlijn van de Werkgroep Alimentatienormen (per 1 april 2013), inhoudende dat het percentage van de zorgkorting afhankelijk is van de hoeveelheid omgang of zorg.
Nu de man gemiddeld vier dagen per week de zorg heeft voor [minderjarige 2] acht de rechtbank een percentage van 45 procent zorgkorting redelijk. Nu de behoefte van Amber EUR 508,50 per maand bedraagt, beloopt de zorgkorting een bedrag van EUR 228,85 per maand. Dit bedrag kan de man in mindering brengen op de door hem aan de vrouw te betalen bijdrage, zodat een bijdrage van EUR 279,65 per maand resteert die door de man aan de vrouw zou moeten worden voldaan. De vrouw heeft immers geen draagkracht om een aandeel in de kosten van de kinderen te kunnen leveren.
Ten aanzien van [minderjarige 1] geldt dat zij haar hoofdverblijfplaats heeft bij de man en dat hij de vaste lasten voor [minderjarige 1] betaalt. [minderjarige 1] verblijft gemiddeld anderhalve dag per week bij de vrouw en haar verblijfskosten komen gedurende die dagen ten laste van de vrouw. De rechtbank sluit voor wat betreft die zorgkosten aan bij de zorgkorting. De rechtbank stelt deze voor anderhalve dag per week vast op 20 procent van de behoefte van [minderjarige 1] van
EUR 592,50 (de man zal gelet op de hoogte van zijn inkomen geen kindgebondenbudget voor haar ontvangen) en dus op EUR 118,50 per maand. Dat is dan de bijdrage die de man aan de vrouw zou moeten voldoen ten behoeve van [minderjarige 1]. De vrouw heeft immers geen draagkracht om een aandeel in de kosten van de kinderen te kunnen leveren.
2.7.5.
Vervolgens dient te worden beoordeeld of de man voldoende draagkracht heeft om de hiervoor becijferde bedragen te betalen.
De rechtbank volgt ook voor wat betreft de berekening van de draagkracht de richtlijn van de Werkgroep Alimentatienormen per 1 april 2013. Het bedrag aan draagkracht wordt vastgesteld aan de hand van de formule 70% x [NBI – (0,3 NBI + 850)]. Nu de man geen woonlasten heeft (enkel het eigenaarsforfait van EUR 95,= per maand) zal de rechtbank de formule aanpassen in die zin dat zij de woonkostencomponent (0,3 NBI) uit de formule zal halen en deze zal vervangen door het eigenaarsforfait van EUR 95,=.
De rechtbank zal allereerst het netto besteedbaar inkomen van de man becijferen. Dat bestaat, blijkens de onder meer als productie 11 overgelegde jaaropgaven over 2012, uit:
–
EUR 31.389,= LLTB/LTO (exclusief reiskostenvergoeding);
–
EUR 25.632,= arbeidsongeschiktheidsuitkering;
–
EUR 788,= adviescommissie runderen;
–
EUR 14.893,= arbeidsvergoeding maatschap.
Zijn inkomsten bedragen in totaal EUR 72.702,=, omgerekend en afgerond EUR 6.059,= per maand.
Blijkens het fiscale rapport IB 2011 (produktie 13 laatste deel) is de man over zijn inkomsten geen belasting verschuldigd, zodat dit een netto bedrag is.
Voorts resteert, blijkens dit rapport, een totaal van EUR 401.008,= aan verliezen uit de eenmanszaak die de man in 2011 heeft beëindigd, welke hij in de komende jaren kan verrekenen. De rechtbank gaat er dan ook vanuit dat de bruto inkomsten van de man in de komende jaren netto inkomsten zijn.
2.7.6.
De man heeft met zijn twee grootste schuldeisers, die vorderingen op hem hadden tot een totaalbedrag van EUR 526.628,=, een schikking getroffen waartoe hij een lening heeft afgesloten bij Lema Weert B.V. van EUR 120.000,= en waarover hij een rente betaalt van 8 procent per jaar over (het restant van) de hoofdsom en maandelijks een bedrag van
EUR 1.000,= aflost (artikel 3 van de overeenkomst). De rechtbank becijfert dat de man over de periode vanaf de aanvang van de overeenkomst tot 1 januari 2015 gemiddeld circa
EUR 1.700,= rente en aflossing per maand verschuldigd zal zijn ten aanzien van deze lening en houdt daarmee rekening. In zoverre slaagt het beroep van de man op de aanvaardbaarheidstoets.
2.7.7.
Met overige schulden houdt de rechtbank geen rekening. De man heeft deze niet geconcretiseerd en onderbouwd, noch aangetoond dat hij ter zake enige betaling verricht.
2.7.8.
De rechtbank becijfert de draagkracht van de man dan ook als volgt:
70% x [6.059,= (netto besteedbaar inkomen) minus 95 (woonlastenforfait) minus 850 (forfaitaire kosten levensonderhoud) minus 1700 (rente en aflossing lening)] is
EUR 2.389,80. De man is dus in staat de kinderbijdragen zoals hierboven becijferd, te betalen. De rechtbank zal deze dan ook bepalen.
2.7.9.
Voorts zal de behoefte van de vrouw worden becijferd alsmede de draagkracht van de man tot betaling van een partnerbijdrage.
De man heeft allereerst de behoeftigheid van de vrouw betwist. Hij stelt dat zij in staat moet worden geacht meer dan de huidige twintig uren per week te werken. De vrouw betwist niet dat zij daartoe niet in staat is maar stelt dat er niet meer werk voor haar beschikbaar is dan de huidige twintig uur per week.
De rechtbank acht door de vrouw aannemelijk gemaakt dat zij op dit moment niet meer inkomen kan verwerven dan haar huidige inkomen. De man heeft niet aangetoond dat dit anders zou zijn.
2.7.10.
De rechtbank relateert de behoefte van de vrouw aan het netto gezinsinkomen tijdens het huwelijk.
Dat inkomen bedroeg zoals hiervoor overwogen in ieder geval EUR 5.000,= per maand. Daarop komen de kosten van de kinderen van (destijds) in totaal EUR 1.175,= per maand in mindering. Dan resteert EUR 3.825,= netto per maand ter besteding voor de man en de vrouw. Aangezien de splitsing van één huishouden in twee huishoudens extra kosten met zich meebrengt acht de rechtbank het redelijk de behoefte van de vrouw op 60% van het resterende bedrag te bepalen. De rechtbank becijfert de behoefte van de vrouw dan ook op EUR 2.295,= netto per maand. Daarop komt het eigen inkomen van de vrouw van
EUR 821,10 bruto (is netto) inclusief vakantietoeslag, per maand in mindering, zodat de aanvullende behoefte van de vrouw 1.473,90 netto bedraagt. Daarmee komt een bruto bedrag van EUR 2.150,= per maand overeen, op welk bedrag de rechtbank de aanvullende behoefte van de vrouw vaststelt.
2.7.11.
De draagkracht van de man tot betaling van een partnerbijdrage.
De man heeft een netto inkomen van EUR 6.059,= per maand (overweging 2.7.5.).
2.7.12.
De rechtbank neemt de volgende maandelijkse lasten van de man in aanmerking:
–
EUR 706,= de bijstandsnorm voor een alleenstaande, exclusief de woonkostencomponent;
–
EUR 95,= forfait overige eigenaarslasten
–
EUR 104,= premie Zorgverzekeringswet (bij gebrek aan wetenschap door de rechtbank geschat op EUR 110,=), eigen risico ad EUR 29,= en na aftrek van het in de bijstandsnorm begrepen nominaal deel van de premie Zorgverzekeringswet ad EUR 35,=
–
EUR 231,= premie arbeidsongeschiktheidsverzekering met gedeeltelijke premievrijstelling (productie 12 zijdens de man)
–
EUR 1.700,= rente en aflossing schuld
De lasten bedragen in totaal 2.836,= per maand.
2.7.13.
De rechtbank houdt, nu zij een netto-berekening heeft gehanteerd (de man draagt geen belasting af en heeft geen fiscale aftrekposten), rekening met een draagkrachtpercentage van 70. De rechtbank becijfert de draagkracht van de man dan ook op afgerond EUR 2.256,= (EUR 6.059,= inkomen minus EUR 2.836,= lasten is EUR 3.223,= maal 70 procent). Daarop komen allereerst de kosten die de man heeft voor de kinderen in mindering. Deze bedragen voor Amber EUR 508,50 per maand (EUR 279,65 bijdrage aan de vrouw en EUR 228,85 door de man te dragen zorgkosten zoals verdisconteerd in de zorgkorting) en voor Valérie EUR 592,50 per maand (waarvan de man een deel als zorgkosten aan de vrouw betaalt) dus in totaal EUR 1.101,= per maand, waarna EUR 1.155,= aan draagkracht voor de vrouw resteert. Daarover kan de man gelet op overweging 2.7.5. geen fiscaal voordeel realiseren. De rechtbank stelt de bijdrage voor de vrouw dan ook vast op EUR 1.155,= per maand. De rechtbank zal deze bijdrage bepalen.
Bron: Rechtspraak.nl – ECLI:NL:RBLIM:2013:4074

