Als de arbeidsovereenkomst door of vanwege de werkgever wordt beëindigd, heeft de werknemer recht op een transitievergoeding. De hoogte van de transitievergoeding wordt – kort samengevat – bepaald door de duur van het dienstverband en de hoogte van het loon van de werknemer. De transitievergoeding is voor elk jaar dat de arbeidsovereenkomst heeft geduurd gelijk aan een derde van het loon per maand en een evenredig deel daarvan voor de periode dat de arbeidsovereenkomst korter dan een jaar heeft geduurd (art. 7:673 BW).
Met andere woorden, de transitievergoeding bedraagt in beginsel 1/3 maandsalaris per gewerkt dienstjaar. Deze vergoeding is door de wetgever enerzijds bedoeld als compensatie voor het ontslag en anderzijds om de overgang naar ander betaald werk te vergemakkelijken.
Echter, in de praktijk is deze doelstelling vaak niet zichtbaar. Immers, ook als de arbeidsovereenkomst eindigt wegens langdurige arbeidsongeschiktheid en zelfs in het geval er helemaal geen arbeidsmogelijkheden (meer) zijn is de transitievergoeding verschuldigd aan de werknemer.
Kortom, de term doet vermoeden dat de vergoeding zou zijn bedoeld om van werk naar werk te gaan, maar er kan / mag ook een caravan van worden gekocht. Dat het kan gaan om substantiële vergoeding is duidelijk, want de maximale transitievergoeding per 1 januari 2026 bedraag € 102.000 bruto of – als dat hoger is – maximaal één jaarsalaris.
Huidig recht
In het verleden leidde de verschuldigdheid van de transitievergoeding wegens langdurige arbeidsongeschiktheid ertoe dat dienstverbanden “slapend” werden gehouden. Werkgevers vroegen geen ontslagvergunning bij het UWV aan, omdat bij een opzegging van het dienstverband de transitievergoeding betaald zou moeten worden. Op deze wijze werd voorkomen dat de transitievergoeding moest worden uitbetaald, maar de dienstbetrekking bleef dan wel in stand. Werknemers vonden dat vaak onterecht, maar in die tijd kon een werkgever nog niet worden “geforceerd” om mee te werken aan een beëindiging van het dienstverband na langdurige arbeidsongeschiktheid en onder toekenning van de transitievergoeding.
Overigens hing sinds de invoering van wettelijke transitievergoeding “in de lucht” dat hiervoor een regeling geïntroduceerd zou worden, maar die heeft jarenlang op zich laten wachten. In 2020 werd uiteindelijk door de wetgever de “Compensatieregeling transitievergoeding” geïntroduceerd, welke regeling een einde zou moeten maken aan deze praktijk. Deze regeling houdt in dat de werkgever die een transitievergoeding betaalt aan een werknemer, waarvan de arbeidsovereenkomst na twee jaar arbeidsongeschiktheid is opgezegd, de transitievergoeding (in belangrijke mate) vergoed kan krijgen van het UWV. Anders gezegd, de betaling van de transitievergoeding door de werkgever wordt in deze gevallen gecompenseerd door het UWV.
Met de introductie van deze regeling, is ook duidelijk geworden dat een werkgever een dienstverband niet meer slapend mag houden en (dus) mee dient te werken aan een beëindiging daarvan. In het Xella-arrest van de Hoge Raad is dit verder onderstreept. De slapende dienstverbanden zouden hiermee tot het verleden moeten gaan behoren.
De beoogde verandering
Voor sommige werkgevers lijkt aan vorenstaande echter verandering te komen. Vorig jaar werd het (wets)voorstel geïntroduceerd om de compensatieregeling transitievergoeding bij langdurige arbeidsongeschiktheid tot kleine werkgevers te beperken. Aanvankelijk werd beoogd dat deze regeling in juli 2026 in werking te laten treden, maar bij brief van 24 april jl. heeft minister Vijlbrief van Sociale Zaken en Werkgelegenheid aangekondigd dat de nieuwe voorziene inwerkingstredingsdatum 1 januari 2027 zal zijn.
In de brief staat: “Vanwege de demissionaire status van het vorige kabinet en het voornemen van het huidige kabinet om de regeling volledig af te schaffen, is vertraging ontstaan. Het wetsvoorstel Compensatieregeling LAO moet nog door beide Kamers worden behandeld. Werkgevers en werknemers dienen op tijd geïnformeerd te worden over deze wetswijziging en UWV heeft aangegeven onomkeerbare stappen te moeten zetten in de laatste 3 maanden vóór inwerkingtreding.”
Overigens roept het afschaffen van de regeling wel de nodige vragen op. Bovendien – zo is de inschatting – zal dit ertoe kunnen leiden dat de praktijk van slapende dienstverbanden wellicht weer terug komt. Dan komt ook de vraag terug of Xella in die gevallen nog wel speelt. Gelet op de overwegingen van de Hoge Raad waag ik dat te betwijfelen. De ontwikkelingen rond de transitievergoeding bij langdurige arbeidsongeschiktheid zijn nog niet afgerond. Kortom “word vervolgd….”
De toekomst zal moeten uitwijzen hoe het nieuwe kabinet zal omgaan met de compensatie van de transitievergoeding, maar wij houden deze ontwikkelingen nauwlettend in de gaten.
Dit artikel is geschreven door Emma Ooijevaar, advocaat bij Knuwer advocaten Alkmaar.

